Het gebruik van siliconprothesen bij comminutieve fracturen van het caput radii

Onderzoek
A.J. van Beek
W.S. Meijer
B.A.J.M. de Mol
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1986;130:1797-800
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Bij 18 patiënten met een comminutieve fractuur van het radiuskopje werd een retrospectief onderzoek verricht naar behandeling door middel van excisie of vervanging door een siliconprothese. Het resultaat van de behandeling werd door de patiënt subjectief gewaardeerd en vergeleken met objectieve bepaling van functie en kracht. Tevens werd röntgenonderzoek verricht van ellebogen en polsen. Herstel van de functie bleek na implantatie van een prothese slechter te zijn dan na excisie; krachtverlies en pijnklachten bleken daarentegen minder voor te komen. Het plaatsen van een siliconprothese lijkt een goed alternatief te zijn voor excisie van het radiuskopje.

artikel

Inleiding

Inleiding

Comminutieve fracturen van het caput of collum radii worden gewoonlijk behandeld met extirpatie van de restanten ervan. Het gaat röntgenologisch meestal om type III- of IV-fracturen volgens de classificatie van Rockwood en Green (figuur 1).1 Behalve beschrijvingen van goede functionele resultaten op langere termijn,23 zijn er ook rapportages die een onbevredigend resultaat vermelden bij ongeveer 50 van de patiënten.45 Functieverlies na excisie van het radiuskopje is toe te schrijven aan veranderde mechanische eigenschappen van het ellebooggewricht. Vooral migratie van de radius naar proximaal en ectopische botvorming aan de stomp van de radius worden verantwoordelijk gesteld voor de (pijn)klachten.67 Ter voorkoming van deze migratie stelde Cherry vervanging voor van het geëxcideerde radiuskopje,8 maar de behandeling kreeg pas bekendheid toen Swanson een flexibele siliconprothese voor het radiuskopje introduceerde.9 Het doel van deze prothese is het herstel van de anatomische en mechanische verhoudingen in het ellebooggewricht door het weer tot stand brengen van het contact tussen caput radii en capitulum humeri. Dit zou migratie van de radius naar proximaal voorkomen, zodat de functie en de kracht van de elleboog worden gehandhaafd en de pijnklachten verminderen.

Sinds 1978 wordt in onze kliniek de implantatie van een radiuskopprothese volgens Swanson gebruikt als alternatief voor een excisie van het radiuskopje. Aangezien de indicatie voor het plaatsen van een prothese nog steeds onderwerp van discussie is, werd een na-onderzoek verricht bij alle patiënten, die in de periode juli 1978 tot november 1983 werden behandeld voor een comminutieve radiuskopfractuur door middel van excisie van het radiuskopje (excisiegroep), of door middel van implantatie van een siliconprothese (prothesegroep).

PatiËnten en methode

In totaal werden in bovengenoemde periode 23 patiënten behandeld. Van hen waren er 20 beschikbaar voor follow-up: 9 patiënten in de excisiegroep en 11 in de prothesegroep. Behalve 3 patiënten uit de prothesegroep werden allen geopereerd binnen 24 uur na het ongeval. Deze 3 patiënten werden resp. na 5 dagen, 34 dagen en 7 maanden geopereerd. De laatste 2 patiënten in de prothesegroep blijven buiten beschouwing, zodat ook deze groep 9 patiënten bevat. De gemiddelde leeftijd in de excisiegroep bedroeg 59,4 (42-71) jaar. Bij 2 patiënten bestond er een bijkomend letsel: één had een olecranonfractuur en één luxatio posterior van de elleboog. De gemiddelde follow-up bedroeg 37,3 (20-66) maanden. In de prothesegroep was de gemiddelde leeftijd 50,9 (28-67) jaar. Drie patiënten hadden tevens een olecranonfractuur. De gemiddelde follow-up bedroeg 28,4 (6-71) maanden. Indien een olecranonfractuur bestond, werd gelijktijdig osteosynthese ervan verricht.

Het na-onderzoek bestond uit een objectieve beoordeling van de functie en kracht van de elleboog, alsmede een subjectieve waardering van het resultaat door de patiënt zelf. Tevens vond röntgenonderzoek plaats van beide polsen en ellebogen. De functie werd bepaald met een goniometer, waarbij de flexie, extensie, supinatie, pronatie en valgisatie werden gemeten. De kracht werd gemeten met behulp van een pneumatische dynamometer. Hiermee werd de knijpkracht in de handen bepaald en de opwaartse drukkracht van de onderarmen, waarbij de elleboog in een hoek van 90° werd gehouden. Er werd een correctie toegepast van 5 voor de dominante zijde. De functiebeoordeling van het ellebooggewricht vond plaats volgens MacKay.10 Deze functie wordt geclassificeerd als: goed, voldoende en slecht. Gelet wordt op pijn, functiebeperking en krachtverlies (tabel 1). Bij de beoordeling van de röntgenfoto's werd gebruik gemaakt van de classificatie vlg. Swanson,11 waarbij gelet wordt op de volgende criteria: migratie van de radius naar proximaal (in mm), artrose van het ellebooggewricht, artrose in het polsgewricht, conditie van de stomp van de proximale radius en conditie van de prothese.

De prothese bestaat uit een cilinder in de vorm van een kapj e, dat over de stomp van de radius valt (figuur 2). De basis wordt gevormd door een steel, die het geheel in de mergholte fixeert. Het flexibele, soepele silicon zorgt ervoor dat de ruimte tussen de stomp van de radius en het capitulum humeri zo goed mogelijk wordt opgevuld. De maat van de prothese wordt zodanig gekozen, dat de ruimte tussen de radiusstomp en het capitulum humeri zo goed mogelijk wordt opgevuld en voldoende fixatie gewaarborgd wordt (figuur 3).

De operatie geschiedt gewoonlijk onder bloedleegte. Er wordt een incisie gemaakt vanaf de laterale epicondylus humeri naar distaal, tussen de M. anconeus en M. extensor carpi ulnaris in. Het gewrichtskapsel wordt in de lengterichting geopend, waarna men direct op het radiuskopje uitkomt. Zowel excisie van het radiuskopje als het plaatsen van een siliconprothese kan via deze betrekkelijk kleine incisie verricht worden.

Resultaten

De resultaten van het onderzoek zijn vermeld in tabel 2.

Subjectieve waardering

Alle patiënten werd gevraagd de huidige toestand van de elleboog te beoordelen op een schaal van 10, waarbij de toestand vóór het ongeval op 10 werd gesteld. De gemiddelde waardering in de excisiegroep was 6,3 (2-10) en in de prothesegroep 8,2 (7-10). Pijn was de belangrijkste klacht. In de excisiegroep hadden 5 patiënten blijvende pijnklachten, hetzij bij beweging, hetzij bij flinke belasting. In de prothesegroep klaagden 3 patiënten over pijn, echter alleen bij extreme belasting, bijv. het dragen van zware boodschappentassen. In beide groepen kwamen geen opvallende klachten over pijn in de pols voor. Ten aanzien van het hervatten van de dagelijkse activiteiten, zoals aan- en uitkleden, werk en sport bestond er in de prothesegroep geen of geringe beperking, terwijl in de excisiegroep 3 van de 9 patiënten beperkt waren in hun activiteiten. Het dominant zijn van de getroffen zijde bleek hierbij geen rol te spelen.

Objectieve beoordeling vond plaats aan de hand van de volgende bevindingen:

– Flexie en extensie. In de excisiegroep had 1 patiënt 10° flexiebeperking en hadden 2 patiënten resp. 10 en 20° extensiebeperking. In de prothesegroep hadden 2 patiënten 10 en 2 patiënten resp. 5 en 20° flexiebeperking, terwijl bij 1 patiënt een extensiebeperking van 5° werd gemeten.

– Pronatie en supinatie. Meting van de rotatie werd gedaan in vergelijking met de niet-getroffen zijde. In de excisiegroep was 1 patiënt met 10° pronatiebeperking en waren er 4 patiënten met een supinatiebeperking van resp. 10, 10, 30 en 40°. In de prothesegroep hadden 2 patiënten een pronatiebeperking van resp. 5 en 10 en 10° en 3 patiënten een supinatiebeperking van resp. 5, 10 en 10°.

– Valgisatie. Deze werd gemeten in rust bij maximale extensie. In de excisiegroep was de gemiddelde valgisatie 5,5° (0-10°) en in de prothesegroep 5,0° (0-10°).

– Krachtmeting. Zoals vermeld werd de kracht vergeleken met de niet-getroffen zijde, terwijl er een correctie werd toegepast van 5 voor de dominante zijde. Wat betreft de knijpkracht was er een gemiddeld krachtverlies van 0,29 kPa in de excisiegroep en 0,13 kPa in de prothesegroep. Voor de opwaartse drukkracht was het gemiddelde krachtverlies resp. 0,20 en 0,11 kPa.

– Röntgenonderzoek. Hoewel er vaker migratie van de radius naar proximaal gezien werd in de excisiegroep, bedroeg deze nooit meer dan 3 mm (figuur 4). Artrose van het ellebooggewricht werd vaker gezien in de excisiegroep, nl. bij 5 van de 9 patiënten van wie 1 een ernstige deformatie had. Artrose van het polsgewricht werd niet waargenomen. Ook in de gevallen met migratie van de radius naar proximaal was er geen noemenswaardige artrose ontstaan. Wat betreft de conditie van de stomp werd er geen verschil waargenomen; in beide groepen was er 1 patiënt met ernstige afwijkingen van de stomp. Bij 3 patiënten was röntgenologisch beschadiging van de prothese zichtbaar, hoewel de prothese weinig radioopaak is. Bij 1 patiënt bleek de prothese verbrijzeld te zijn (figuur 5).

Beschouwing

De indicatie tot implantatie van een siliconprothese berust op de hypothese dat het plaatsen ervan de anatomische verhoudingen in het ellebooggewricht herstelt. Dit zou complicaties, zoals migratie van de radius naar proximaal en woekering van de stomp, voorkomen. Migratie van de radius naar proximaal kan leiden tot valgusstand en subluxatie van het distale radio-ulnaire gewricht. Dit laatste fenomeen werd voor het eerst beschreven door Brockman.12 Sindsdien is het regelmatig bevestigd.3681011 De klinische betekenis ervan is echter dubieus.35 Het mechanisme van de proximale migratie en vervolgens subluxatie van het distale radio-ulnaire gewricht werd experimenteel onderzocht door McDougall en White.7 De hoeveelheid spanning, die op de onderarm wordt uitgeoefend, blijkt het meest van belang te zijn. Hierdoor zou deze complicatie vooral worden gezien bij mannen, die relatief zware arbeid verrichten. In de excisiegroep werd bij 6 van de 9 patiënten een proximale migratie van 1-3 mm gevonden, doch er leek geen correlatie te bestaan met de pijnklachten of het functionele resultaat. Dit komt overeen met de bevindingen van Morrey et al.13 Deze complicatie alléén lijkt daarom het routinematig plaatsen van een siliconprothese niet te rechtvaardigen. Bijkomende letsels als olecranonfractuur en luxatio posterior van de elleboog geven geen verslechtering van het eindresultaat. Bij ernstige instabiliteit van de elleboog kan vervanging van het radiuskopje bijdragen tot een betere stabilisatie.

De weinig radio-opake siliconprothese is met standaard röntgenonderzoek soms moeilijk te beoordelen. Xerografie kan in dergelijke gevallen uitkomst bieden.14 Afwijkingen aan de prothese worden regelmatig aangetoond en de prothese lijkt dan ook een beperkte levensduur te hebben.15 Opvallend is dat zelfs een verbrijzelde prothese vaak weinig pijn of functionele bezwaren geeft. Hoe lang een verbrijzelde prothese in situ kan blijven, is vooralsnog niet te zeggen.

Hoewel in dit onderzoek het herstel van de functie na implantatie van een prothese slechter is dan na excisie van het radiuskopje, blijken daarentegen het krachtverlies en de pijnklachten minder te zijn. Dit komt tot uitdrukking in een hogere subjectieve waardering van de prothesegroep.

Conclusie

Bij de behandeling van comminutieve fracturen van het radiuskopje lijkt het primair plaatsen van een siliconprothese een goed alternatief voor een excisie van het radiuskopje. De indicatiestelling blijft echter moeilijk. Vooral bij jonge, actieve mensen dient implantatie van een prothese overwogen te worden.

Wij zijn de heer Zoetekouw zeer erkentelijk voor de verzorging van de figuren.

Literatuur
  1. Rockwood CA, Green DP. Fractures. Philadelphia: JBLippincott, 1975: 548.

  2. Hertz H, Scharf W. Spätergebnisse nachSpeichenköpfresektion. Aktuel Traumatol 1982; 11: 181-4.

  3. Morrey BF, Chao EY, Hui FC. Biochemical study of the elbowfollowing excision of the radial head. J Bone Joint Surg (Am) 1979; 61:63-8.

  4. Miki ZDj, Vukadino SM. Late results infractures of the radial head treated by excision. Clin Orthop 1983; 181:220-8.

  5. Radin EL, Riseborough EJ. Fractures of the radial head. Areview of eighty-eight cases and analysis of the indications for excision ofthe radial head and non-operative treatment. J Bone Joint Surg (Am) 1966; 48:1055-64.

  6. Taylor TFK, O'Connor BT. The effect upon the inferiorradio-ulnar joint complicating fracture of radial head. J Bone Joint Surg(Br) 1964; 46: 83-8.

  7. McDougall A, White J. Subluxation of the inferiorradio-ulnar joint complicating fracture of the radial head. J Bone Joint Surg(Br) 1957; 39: 278-87.

  8. Cherry JC. Use of acrylic prosthesis in the treatment offracture of the head of the radius. J Bone Joint Surg (Br) 1953; 35:70-1.

  9. Swanson AB. Flexible implant resection arthroplasty in thehand and extremities. St. Louis: Mosby, 1973.

  10. MacKay I, Fitzgerald B, Miller JH. Silastic replacementof the head of the radius in trauma. J Bone Joint Surg (Br) 1979; 61:494-7.

  11. Swanson AB, Jaeger SH, LaRochelle D. Comminuted fracturesof the radial head. J Bone Joint Surg (Am) 1981; 63: 1039-49.

  12. Brockman EP. Two cases of disability at the wrist jointfollowing excision of the head of the radius. Proc R Soc Med 1930; 24:904.

  13. Morrey BF, Askew L, Chao EY. Silastic prostheticreplacement for the radial head. J Bone Joint Surg (Am) 1981; 63:454-8.

  14. Bohl WR, Brightman E. Fracture of a silastic radial-headprosthesis: Diagnosis and localization of fragments by xerography. J BoneJoint Surg (Am) 1981; 63: 1482-3.

  15. Martinelli B, Incecco L d‘. Silastic prosthesis infractures of the head of the radius: Long term follow-up. Ital J OrthopTraumatol 1980; 6: 395-9.

Auteursinformatie

St. Clara Ziekenhuis, afd. Heelkunde, Olympiaweg 350, 3078 HT Rotterdam.

A.J.van Beek, assistent-geneeskundige, W.S.Meijer, chirurg; B.A.J.M.de Mol, assistent-geneeskundige.

Contact A.J.van Beek

Heb je nog vragen na het lezen van dit artikel?
Check onze AI-tool en verbaas je over de antwoorden.
ASK NTVG

Ook interessant

Reacties

J.A.N.
Verhaar

Maastricht, oktober 1986,

In hun artikel stellen Van Beek, Meijer en De Mol (1986;1797-1800) de gevolgen van een extirpatie van het caput radii aan de orde. Deze extirpatie leidt volgens de literatuur zoals in het betrokken artikel ook is aangehaald tot een voorspelbare verstoring van de stabiliteit van de elleboog en de onderarm. Door het wegvallen van het caput als steunpunt van de radius op het capitellum humeri treedt een proximale migratie van de radius ten opzichte van de ulna op. Als gevolg hiervan ontstaat een zekere subluxatie in het distale radio-ulnaire gewricht. Na verloop van tijd kan dan ook in dit gewricht arthrosis ontstaan. Tevens belemmert de migratie van de radius enigszins de rotaties van de onderarm (vooral de supinatie), waarschijnlijk doordat de membrana interossea onder spanning komt. Wegvallen van het caput als lateraal steunpunt leidt tot meer stress op het mediale bandcomplex van de elleboog en kan pijn veroorzaken. Door tractie aan de N. ulnaris kunnen daarnaast hinderlijke prikkelingen optreden.

Resectie van het caput radii kan dus tot vervelende complicaties leiden, hoewel het percentage van al deze klachten in de literatuur heel wisselend wordt opgegeven. In het algemeen lijkt het in de praktijk nogal mee te vallen. De gedachte om een prothese te plaatsen die als ‘spacer’ proximale migratie van de radius tegengaat is aantrekkelijk. Een dergelijke spacer is evenwel een tweesnijdend zwaard. Een radiuskopprothese krijgt namelijk aanzienlijke krachten te verwerken en slijtage en breuk van het materiaal is niet denkbeeldig en is dan ook beschreven. Er kunnen parallellen worden getrokken met vergelijkbare prothesen in de handwortel, waarvan bekend is dat ze ook aan grote krachten zijn blootgesteld en waarvan een vreemdlichaamreactie op de slijtageprodukten in de vorm van synovitiden steeds vaker wordt gemeld.

Van een toetsing van het veronderstelde nut van de prothese kan in het onderzoek, zoals gepresenteerd door de collegae Van Beek, Meijer en De Mol geen sprake zijn. De onderzoekers vergelijken retrospectief twee groepen: een groep van 9 patiënten bij wie het kopje is gereseceerd en een groep van 9 patiënten bij wie aansluitend een prothese is geplaatst. Hoe de keuze van therapie tot stand kwam wordt niet duidelijk. De groepen zijn evenwel verschillend. De resectiegroep is ouder (gemiddeld 59,4 jaar; slechts 1 patiënt jonger dan 50 jaar), terwijl de prothesegroep gemiddeld 50,9 jaar is, met 5 patiënten jonger dan 50 jaar. Ook het follow-up-onderzoek is verschillend: de resectiegroep is langer gecontroleerd (37 tegen 28 maanden). Ouderen zullen het in het algemeen wat slechter doen, terwijl juist voor een prothese langer follow-up-onderzoek gewenst is. De vraag blijft dan ook onbeantwoord of de siliconprothese van de radiuskop de complicaties van resectie voorkomt, dan wel eigen complicaties introduceert. Zolang die vraag niet is beantwoord, is de plaatsing experimenteel en blijft behoefte bestaan aan prospectief en gerandomiseerd onderzoek.

J.A.N. Verhaar

Rotterdam, november 1986,

Collega Verhaar concludeert in zijn commentaar, dat langer follow-up-onderzoek noodzakelijk is om het resultaat te kunnen beoordelen. Tevens is hij van mening dat prospectief en gerandomiseerd onderzoek noodzakelijk is. Wij onderschrijven deze mening. Het is slechts de bedoeling geweest het plaatsen van een radiuskopprothese ter overweging te geven. Uit ons onderzoek blijkt dat plaatsing van een prothese een goed alternatief is, hoewel over de resultaten op langere termijn nog geen uitspraak is te doen.

W.S. Meijer
A.J. van Beek
R.J.
Vierhout

Emmen, oktober 1986,

In het artikel van Van Beek, Meijer en De Mol (1986;1797-800) wordt het gebruik van siliconprothesen bij comminutieve radiuskopfracturen beoordeeld als een goed alternatief voor primaire excisie van het radiuskopje. Zoals gesteld in hun conclusie, blijft de indicatiestelling echter moeilijk. Vooral bij jonge, actieve mensen zou volgens schrijvers implantatie van een prothese overwogen dienen te worden.

Naar mijn mening dient zeker in deze groep van jonge, actieve mensen primaire resectie te worden vermeden. Doch in dezelfde groep mensen zou de prothese normaal gesproken nog 50-60 jaar mee moeten en tot op heden is allerminst aangetoond, dat dit zonder problemen mogelijk is. Mijn voorkeur als alternatief voor resectie gaat dan ook uit naar een open repositie van de fractuur gevolgd door een interne osteosynthese met verzonken mini-osteosynthesemateriaal. In een groot deel der gevallen blijkt dit ook bij comminutieve fracturen mogelijk.1 Pas als dit (technisch) niet mogelijk blijkt en de resectie onvermijdelijk is kan het plaatsen van een prothese worden overwogen.

R.J. Vierhout
Literatuur
  1. Vierhout RJ, Oostvogel HJM, Vroonhoven ThJMV van. Internal fixation of fractures of the head of the radius. Neth J Surg 1983; 35: 13-6.

Rotterdam, oktober 1986,

Collega Vierhout stelt dat resectie van de radiuskop bij jonge mensen vermeden moet worden. In veel gevallen is primaire osteosynthese mogelijk. Vanzelfsprekend gaat ook onze voorkeur uit naar osteosynthese. De indicatie tot osteosynthese wordt door ons gesteld bij dislocatie van meer dan 1 mm of fracturering van meer dan 1/3 van de circumferentie van de radiuskop.

In de aangegeven periode werden 151 radiuskopfracturen behandeld: 97 patiënten kregen conservatieve therapie en 54 patiënten ondergingen een operatie. In onze groep patiënten bestond bij 20 patiënten een dusdanige verbrijzeling dat primaire osteosynthese niet mogelijk was. Slechts in die gevallen is het plaatsen van een siliconprothese te overwegen.

W.S. Meijer
A.J. van Beek