De pathogenese van preëclampsie

Klinische praktijk
E. van Beek
L.L.H. Peeters
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1997;141:1379-84
Abstract
Download PDF

Samenvatting

– In de pathogenese van preëclampsie lijkt placentaire ischemie, veroorzaakt door een gestoorde placentatie, centraal te staan. De placentaire functiestoornis leidt tot een gegeneraliseerde endotheelceldisfunctie, die aanleiding geeft tot de ontwikkeling van hypertensie, proteïnurie, oedeem, trombocytopenie en hypoperfusie van vooral de lever en de nieren.

– Het verband tussen placentaire ischemie en endotheelceldisfunctie zou kunnen bestaan uit een toxische circulerende ‘factor X’ en uit de multifactoriële oorzaak van gestoorde placentatie.

– Het is mogelijk dat een deficiënte ontwikkeling van de immunologische tolerantie ten tijde van de trofoblastinvasie via een geactiveerd immuunsysteem resulteert in een gestoorde placentatie. Genetische predispositie, al dan niet in combinatie met vaataandoeningen bij de moeder, zou een modulerende factor kunnen zijn in dit proces.

– De recentelijk aangetoonde latente afwijkingen in de stollingscascade, in de stofwisseling (leidende tot trombofilie) en in de volumehomeostasis bij vrouwen met preëclampsie in het verleden wijzen op een belangrijke rol van vasculair gemedieerde factoren in de pathogenese van preëclampsie.

artikel

Zwangerschap wordt in bijna 10 van de gevallen gecompliceerd door hoge bloeddruk.1 Zwangerschapshypertensie is, naast sepsis, trombo-embolie en verbloeding, een belangrijke oorzaak van maternale sterfte. In de periode van 1988 tot 1992 veroorzaakte zwangerschapshypertensie in Nederland 13 van de in totaal 66 gerapporteerde gevallen van moederlijke sterfte (20).2 Doordat zwangerschapshypertensie kan leiden tot intra-uteriene groeivertraging en een iatrogene partus praematurus, is deze aandoening eveneens een belangrijke oorzaak van perinatale morbiditeit en mortaliteit. Classificaties van zwangerschapshypertensie zijn gemaakt door de Wereldgezondheidsorganisatie, het American College of Obstetricians and Gynecologists, de International Society for the Study of Hypertension in Pregnancy en de US National Institutes of Health Working Group on Hypertension in Pregnancy.1 In tabel 1 is de laatste, tevens meest gehanteerde, classificatie van zwangerschapshypertensie samengevat. Bij deze indeling wordt een principieel onderscheid gemaakt tussen preëxistente hypertensie en zwangerschapshypertensie, die nadrukkelijk beperkt blijft tot de zwangerschap. Bij preëclampsie wordt de hypertensie gecompliceerd door tekenen van endotheelceldisfunctie, hetgeen onder andere leidt tot activering van de stolling en een toegenomen capillaire doorlaatbaarheid, weerspiegeld in proteïnurie en oedeem. In dit artikel geven wij een overzicht van onze huidige kennis van de pathogenese van preëclampsie.

Endotheelceldisfunctie

Uit vele onderzoeken is inmiddels gebleken dat het endotheel dat het lumen van de bloedvaten bekleedt, een belangrijke rol speelt in de pathogenese van preeclampsie (figuur 1). Dit blijkt in de eerste plaats uit de histologische afwijkingen in de glomeruli die gekenmerkt worden door een endotheelzwelling (glomerulo-endotheliosis), welke de oorzaak lijkt te zijn van zowel de hypoperfusie van de nier door verkleining van het lumen als van de eiwitlekkage.3 Ook in andere vaatbedden, onder andere in die in de uterus,4 werden structurele afwijkingen van het endotheel gevonden. Naast structurele afwijkingen zijn er ook functiestoornissen van het endotheel beschreven. De concentraties in het bloed van de Von Willebrand-factor,56 van endotheline,78 en van fibronectine,9-11 zijn alle verhoogd. Voorts zijn er verschuivingen aangetoond in de balans tussen weefselplasminogeenactivator en plasminogeenactivatorinhibitor en in die tussen prostacycline en tromboxaan. Het uiteindelijke gevolg van deze structurele en functionele veranderingen van het endotheel is een snellere activering van de stolling en vasoconstrictie.1213 De endotheelafwijkingen kunnen dan ook als initiators worden beschouwd van het klinische syndroom ‘preëclampsie’: arterieel spasme, toename van de trombocytenaggregatie en van de capillaire permeabiliteit, resulterend in een verdere stijging van de bloeddruk, proteïnurie, oedeem, soms trombocytopenie, hypoperfusie en disfunctie van een aantal organen, vooral de nieren en de lever.

Placentaire ischemie

Net als voor het endotheel is er in de pathogenese van preëclampsie een hoofdrol weggelegd voor de placenta. Ten eerste komt het ziektebeeld uitsluitend in de zwangerschap voor en verdwijnt het binnen 48 uur na de geboorte van de placenta. Ten tweede geeft het vóórkomen van preëclampsie in geval van mola hydatidosa,14 en bij abdominale zwangerschappen,1516 aan dat foetus en uterus (decidua) waarschijnlijk nauwelijks bijdragen tot het ontstaan van het syndroom.

Het lijkt erop dat een verminderde placentaire doorbloeding een belangrijke initiërende rol speelt in de pathogenese van preëclampsie. In de eerste helft van de ongecompliceerd verlopende zwangerschap dringt de trofoblast in 2 tempi en volgens een genetisch vastliggend patroon de decidua en de spiraalarteriën binnen tot royaal in het myometrium.1718 Bij deze invasie ondergaan de spiraalarteriën grote structurele veranderingen. De tunica muscularis verdwijnt, waarna de spiraalarteriën een trechtervormig uiteinde krijgen met een diameter die 4-6 maal zo ruim is als vóór de zwangerschap. Deze vaatwandveranderingen doen zich voor tussen het binnenste derde deel van het myometrium tot aan de uitmonding in de intervilleuze ruimte. Dit proces van microarchitectonische adaptatie van de spiraalarterie verloopt gebrekkig in zwangerschappen die uiteindelijk gecompliceerd worden door preëclampsie. Bovendien beperken deze aanpassingen zich dan tot het deciduale gedeelte van de spiraalarteriën.19 Het gevolg is dat de uiteindelijke diameter van de spiraalarteriën slechts ongeveer 40 van die in de normale zwangerschap bedraagt,20 en dat deze vaten hun tunica muscularis vrijwel geheel behouden, waardoor ze gevoelig blijven voor vasoconstrictieve stimuli (figuur 2). Het is goed mogelijk dat dit leidt tot een te geringe perfusiecapaciteit van de intervilleuze ruimte.

Het concept van een te geringe placentaire doorbloeding als initiator van het preëclamptisch ziektebeeld wordt ook ondersteund door een aantal in-vitro-onderzoeken. Deze laten zien dat de placentaire vlokken bij preëclampsie afwijkingen vertonen die passen bij vlokgroei in een hypoxisch milieu.21 Verder is het een ervaringsfeit dat naarmate de placenta groter is (bijvoorbeeld in geval van meerlingzwangerschap, hydrops placentae), de kans op preëclampsie ook toegenomen is. Dit zou verklaard kunnen worden door een relatieve hypoperfusie van de placenta. Tenslotte wordt de theorie van de placentaire ischemie ook ondersteund door dierexperimenteel onderzoek. Bij de zwangere resusaap leidt chronische verlaging van de bloeddruk in het onderste gedeelte van de aorta tot een syndroom dat sterke gelijkenis vertoont met preëclampsie.22

Een beter inzicht in de ontstaanswijze van deze ‘gestoorde placentatie’ geeft de mogelijkheid daadwerkelijk de oorzaak van preëclampsie te achterhalen. Het huidige onderzoek richt zich vooral op deze gestoorde placentatie en de ontbrekende schakel tussen de mogelijk hierdoor ontstane placentaire ischemie en de gegeneraliseerd optredende endotheelceldisfunctie. Vooral uit epidemiologisch onderzoek blijkt dat de gestoorde placentatie multifactorieel bepaald moet zijn. Hierbij spelen immunologische maladaptatie, genetische predispositie en vasculair gemedieerde aandoeningen een belangrijke rol. Waarschijnlijk zal een som van deze factoren bepalen of en zo ja, in welke mate zich bij een zwangere vrouw preëclampsie ontwikkelt.

Immunologische maladaptatie

De theorie van een abnormale reactie van het immuunsysteem op de trofoblast is voornamelijk gebaseerd op epidemiologische onderzoeken. Het risico van preeclampsie tijdens zwangerschappen die door één en dezelfde partner verwekt zijn, is het grootst tijdens de eerste zwangerschap.2324 Indien een vrouw een miskraam dan wel een bloedtransfusie in de voorgeschiedenis heeft, is de kans op preëclampsie in een volgende zwangerschap kleiner.2526 Voorts blijken vrouwen die vóór de conceptie een langdurige seksuele relatie hebben gehad met de uiteindelijke vader minder kans te hebben op preëclampsie dan vrouwen met slechts een korte seksuele relatie met hun partner vóór de zwangerschap.27 Onduidelijkheid bestaat er nog over de observatie dat vrouwen die van een barrière-anticonceptivum (condoom, pessarium occlusivum) gebruikmaken, vaker preëclampsie krijgen tijdens hun eerste zwangerschap dan vrouwen die de pil of het spiraaltje gebruiken.2829

Deze epidemiologische gegevens doen vermoeden dat in de ontwikkeling van preëclampsie de moederlijke immuunreactie op de antigenen van de trofoblast een belangrijke rol speelt. In concreto: de ontwikkeling van de normaal optredende tolerantie voor de foetale ‘allograft’ lijkt verstoord te zijn. Men heeft geprobeerd te achterhalen op welke wijze de respons van het humorale en cellulaire immuunsysteem in preëclamptische zwangerschappen afwijkt van die in normaal verlopende zwangerschappen om inzicht te krijgen in de precieze rol van het afweersysteem in dezen. Tot op heden zijn de meeste resultaten van deze onderzoeken tegenstrijdig.30

Genetische predispositie

Chesley et al. beschreven voor het eerst in een prospectief onderzoek in 1961 dat er een familiaire factor meespeelde bij het vóórkomen van preëclampsie.31 Zij vonden een sterk toegenomen frequentie van preëclampsie en eclampsie tijdens de eerste zwangerschap van zusters (37) en dochters (26) van 187 vrouwen met eclampsie in de voorgeschiedenis in vergelijking met de frequentie in de normale bevolking (8).3132 Het is moeilijk de wijze van transmissie van dit zogenaamde vatbaarheidsgen te bepalen, gezien de lange tijdsduur van de hiervoor noodzakelijke prospectieve onderzoeken. De voortplantingscyclus van de mens bedraagt meestal tenminste 20 jaar en het ziektebeeld preëclampsie openbaart zich uitsluitend tijdens de zwangerschap. Alle tot nu toe beschreven patronen van overerving van dit gen zijn afgeleid uit epidemiologische gegevens. Een eenvoudige maternale recessieve overerving met een geschatte genprevalentie van 24 (Schotland)33 en 25 (New Jersey, VS)34 is beschreven. Aangezien bij de aangetrouwde familie van vrouwen met preëclampsie in het verleden (schoonmoeders en -dochters) in beide onderzoeken slechts een frequentie van preëclampsie gezien werd zoals die in de normale bevolking bestaat, beschouwden de onderzoekers een genetische bijdrage van de foetus als uiterst onwaarschijnlijk. Voor de IJslandse populatie werden 2 wiskundige modellen beschreven, die beide plausibel waren: een autosomaal recessieve wijze van transmissie waarbij het gen aanwezig was bij 31 van de vrouwen en een autosomaal dominante wize van transmissie met een genprevalentie van 14 en een penetratie van 48.35

In andere onderzoeken werden wel degelijk aanwijzingen gevonden voor een genetische bijdrage van de foetus aan de transmissie van preëclampsie.36-38 Zo is er een verhoogde frequentie beschreven van eclampsie bij vrouwen die waren geboren uit een eclamptische zwangerschap (37) vergeleken met vrouwen die een zuster of een broer hadden die was geboren uit een eclamptische zwangerschap (14).36

Vasculair gemedieerde factoren

Het is bekend dat aandoeningen waarbij ook het vaatstelsel op de een of andere wijze is aangedaan, zoals hypertensie en diabetes mellitus, gekenmerkt worden door een verhoogd risico op preëclampsie.39 In tabel 2 wordt een aantal van deze ziekten opgesomd, met daarbij het relatieve risico.40 Deze ziekten kunnen op 3 niveaus ingrijpen in de cascade die leidt tot preëclampsie: het niveau van de gestoorde placentatie, van de placentaire ischemie en dat van de endotheelceldisfunctie (zie figuur 1).

Dekker et al. toonden recentelijk aan dat meer dan 50 van de onderzochte vrouwen met ernstige preeclampsie in de voorgeschiedenis subklinische afwijkingen had in de stolling en (of) in de stofwisseling met als effect een vergemakkelijkte stolling: trombofilie.41 De volgende afwijkingen met geconstateerde prevalentie kunnen tot deze categorie gerekend worden: proteïne-S-deficiëntie (24,7), geactiveerde-proteïne-C-resistentie (16,0), de aanwezigheid van anticardiolipine-antistoffen in het bloed (28,4) en hyperhomocysteïnemie (17,7), meestal veroorzaakt door een tekort aan foliumzuur of vitamine B6 (soms ook vitamine B12). Al deze afwijkingen hebben gemeen dat ze de stollingsneiging bevorderen. Door deze afwijkingen na een doorgemaakte ernstige preëclampsie aan te tonen kan men een subgroep op het spoor komen van vrouwen bij wie men het verhoogde herhalingsrisico in een volgende zwangerschap zeer waarschijnlijk kan verkleinen door hen vanaf het eerste trimester te behandelen met laagmoleculaire heparinepreparaten of foliumzuur- en vitamine-B6-suppletie.

Wij vonden in ons follow-uponderzoek (tenminste 5 maanden post partum) bij vrouwen met preëclampsie in de voorgeschiedenis een 10 lager plasmavolume in vergelijking met een controlegroep.42 In een normotensieve subgroep zagen wij naast een eveneens verlaagd plasmavolume ook een lagere plasmaconcentratie van het atrium-natriuretisch peptide en een hogere plasmaconcentratie van aldosteron in vergelijking met de controlegroep. Voorts vonden wij bij de ex-preëclampsiepatiënten een geringere nierdoorbloeding in combinatie met een hogere filtratiefractie in vergelijking met een controlegroep. Zowel de verschillen in hormoonconcentraties als de geringere nierdoorbloeding passen bij een te lage vullingsgraad van het vaatbed. In hoeverre een verlaagde vullingsgraad van het vaatbed een gemeenschappelijk symptoom is van een aantal (sub)klinische ziekten en in hoeverre dit van betekenis is voor de pathogenese van preëclampsie is onderwerp van vervolgonderzoek.

Het eenvoudigste concept ter verklaring van de symptomen bij preëclamptische vrouwen zou zijn dat er een factor in het bloed circuleert die afkomstig is van de ischemische placenta en toxisch is voor de endotheelcel. Het endotheel is hierdoor onder andere niet meer in staat voldoende vaatverwijdende stoffen, zoals stikstofmonoxide en prostacycline, te produceren, zodat een tendens tot vasoconstrictie ontstaat, alsmede activering van de stollingscascade en een toegenomen capillaire permeabiliteit (zie figuur 1). In een aantal in-vitro-onderzoeken werd ondersteuning gevonden voor de veronderstelling dat sera van preëclamptische vrouwen toxisch zijn voor endotheelcellen.4344

Hoe moet men zich nu deze ‘factor X’ voorstellen?45 Het is mogelijk dat er een toegenomen productie bestaat van vrije zuurstofradicalen samenhangend met immunologische maladaptatie aan de zwangerschap. Dit leidt weer tot activering van lymfoïde cellen in de decidua en placentaire ischemie. Indien het aantal vrijkomende vrije zuurstofradicalen (‘oxidatieve stress’) duidelijk groter is dan weggevangen kan worden door de aanwezige antioxidanten, vormen zich lipide peroxiden uit onverzadigde vrije vetzuren. Vrije zuurstofradicalen en lipide peroxiden hebben een toxisch effect op het endotheel en verstoren dientengevolge zijn functie.46 Samen met de vrije zuurstofradicalen worden er eveneens cytotoxische cytokinen en proteasen, zoals elastase, afgegeven door geactiveerde neutrofiele granulocyten. Deze proteasen zijn in staat de endotheelcel, de basale membraan en de subendotheliale matrix te beschadigen.

Naast deze theorie, waarin de vrije zuurstofradicalen een centrale rol spelen, is er nog een andere mogelijkheid, namelijk dat een primaire stoornis in het lipidenmetabolisme rechtstreeks leidt tot de vorming van factor X. Deze theorie wordt ondersteund door een in-vitro-onderzoek waaruit bleek dat zowel de verhoogde ratio van vrije vetzuren ten opzichte van albumine als de toegenomen lipolytische activiteit van serum van preëclamptische patiënten resulteerde in een grotere opname van deze vrije vetzuren door het endotheel.47 Vervolgens werden deze vrije vetzuren omgezet in triglyceriden. De hierdoor optredende stapeling van triglyceriden in het endotheel ging gepaard met een verminderde endotheelfunctie die zich uitte in een verminderde afgifte van prostacycline.48

De derde mogelijkheid die ter verklaring van het fenomeen ‘factor X’ genoemd wordt, is dat vrij circulerende celmembraanfragmenten van de syncytiotrofoblast een toxisch effect hebben op het endotheel.49 Uit in-vitro-onderzoeken bleek dat membraanfragmenten van microvilli van de syncytiotrofoblast interfereerden met de groei van endotheelcellen en bovendien de architectuur van een eenlagige endotheelcelkweek beschadigden. Er bestond echter geen verschil in activiteit tussen de membraanfragmenten van syncytiotrofoblastmicrovilli van preëclamptische en die van normale placenta's. Om die reden suggereerden de onderzoekers dat preëclampsie alleen maar manifest wordt wanneer de hoeveelheid microvillifragmenten een bepaalde kritische hoeveelheid overschrijdt.50

Literatuur
  1. National High Blood Pressure Education Program WorkingGroup Report on High Blood Pressure in Pregnancy. Am J Obstet Gynecol1990;163(5 Pt 1):1691-712.

  2. Schuitemaker NWE, Bennebroek Gravenhorst J, Dekker GA,Dongen PWJ van, Geijn HP van. Moedersterfte in Nederland 1988-1992. NedTijdschr Obstetrie en Gynaecologie 1993;106:270-1.

  3. Spargo BH, Lichtig C, Luger AM, Katz AI, Lindheimer MD.The renal lesion in preeclampsia. In: Lindheimer MD, Katz AI, Zuspan FP,editors. Hypertension in pregnancy. New York: Wiley, 1976:129-37.

  4. Shanklin DR, Sibai BM. Ultrastructural aspects ofpreeclampsia. I. Placental bed and uterine boundary vessels. Am J ObstetGynecol 1989;161:735-41.

  5. Redman CW, Denson KW, Beilin LJ, Bolton FG, Stirrat GM.Factor-VIII consumption in pre-eclampsia. Lancet 1977;2:1249-52.

  6. Inglis TC, Stuart J, George AJ, Davies AJ. Haemostatic andrheological changes in normal pregnancy and pre-eciampsia. Br J Haematol1982;50:461-5.

  7. Kraayenbrink AA, Dekker GA, Kamp GJ van, Geijn HP van.Endothelial vasoactive mediators in preeclampsia. Am J Obstet Gynecol1993;169:160-5.

  8. Florijn KW, Derkx FH, Visser W, Hofman HJ, Rosmalen FM,Wallenburg HC, et al. Elevated plasma levels of endothelin in preeclampsia. JHypertens Suppl 1991;9:S166-7.

  9. Lazarchick J, Stubbs TM, Romein L, Dorsten JP van,Loadholt CB. Predictive value of fibronectin levels in normotensive gravidwomen destined to become preeclamptic. Am J Obstet Gynecol 1986;154:1050-2.

  10. Ballegeer V, Spitz B, Kieckens L, Moreau H, Assche A van,Collen D. Predictive value of increased plasma levels of fibronectin ingestational hypertension. Am J Obstet Gynecol 1989;161:432-6.

  11. Lockwood CJ, Peters JH. Increased plasma levels ofED1 cellular fibronectin precede the clinical signs of preeclampsia. AmJ Obstet Gynecol 1990;162:358-62.

  12. Boer K de, Lecander I, Cate JW ten, Borm JJ, Treffers PE.Placental-type plasminogen activator inhibitor in preeclampsia. Am J ObstetGynecol 1988;158(3 Pt 1):518-22.

  13. Walsh SW. Preeclampsia: an imbalance in placentalprostacyclin and thromboxane production. Am J Obstet Gynecol1985;152:335-40.

  14. Redman CW. Current topic: pre-eclampsia and the placenta.Placenta 1991;12:301-8.

  15. Roberts JM, Taylor RN, Musci TJ, Rodgers GM, Hubel CA,McLaughlin MK. Preeclampsia: an endothelial cell disorder. Am J ObstetGynecol 1989;161:1200-4.

  16. Piering WF, Garancis JG, Becker CG, Beres JA, Lemann jrJ. Preeclampsia related to a functioning extrauterine placenta: report of acase and 25-year follow-up. Am J Kidney Dis 1993;21:310-3.

  17. Brosens IA, Robertson WB, Dixon HG. The role of thespiral arteries in the pathogenesis of preeclampsia. Obstet Gynecol Annu1972;1:177-91.

  18. Pijnenborg R. The placental bed. Hypertens Pregnancy1996;15 (1):7-23.

  19. Khong TY, Wolf F de, Robertson WB, Brosens I. Inadequatematernal vascular response to placentation in pregnancies complicated bypre-eclampsia and by small-for-gestational age infants. Br J Obstet Gynaecol1986;93:1049-59.

  20. Roberts JM, Redman CW. Pre-eclampsia: more thanpregnancy-induced hypertension. Lancet 1993;341:1447-51.

  21. Fox H. The placenta in pregnancy hypertension. In: RubinPC, editor. Handbook of hypertension. Vol 10. Hypertension in pregnancy.Amsterdam: Elsevier Science, 1988:16-37.

  22. Combs CA, Katz MA, Kitzmiller JL, Brescia RJ.Experimental preeclampsia produced by chronic constriction of the loweraorta: validation with longitudinal blood pressure measurements in consciousrhesus monkeys. Am J Obstet Gynecol 1993;169:215-23.

  23. Feeney JG, Scott JS. Pre-eclampsia and changed paternity.Eur J Obstet Gynecol Reprod Biol 1980;11:35-8.

  24. Campbell DM, MacGillivray I, Carr-Hill R. Pre-eclampsiain second pregnancy. Br J Obstet Gynaecol 1985;92:131-40.

  25. Strickland DM, Guzick DS, Cox K, Gant NF, Rosenfeld CR.The relationship between abortion in the first pregnancy and development ofpregnancy-induced hypertension in the subsequent pregnancy. Am J ObstetGynecol 1986;154:146-8.

  26. Feeney JG, Tovey LA, Scott JS. Influence of previousblood-transfusion on incidence of pre-eclampsia. Lancet1977;1:874-5.

  27. Robillard PY, Hulsey TC, Perianin J, Janky E, Miri EH,Papiernik E. Association of pregnancy-induced hypertension with duration ofsexual cohabitation before conception. Lancet 1994;344:973-5.

  28. Klonoff-Cohen HS, Savitz DA, Cefalo RC, McCann MF. Anepidemiologic study of contraception and preeclampsia. JAMA1989;262:3143-7.

  29. Mills JL, Klebanoff MA, Graubard BI, Carey JC, BerendesHW. Barrier contraceptive methods and preeclampsia. JAMA 1991;265:70-3.

  30. El-Roeiy A, Gleicher N. The immunologic concept ofpre-eclampsia. In: Rubin PC, editor. Handbook of hypertension. Vol 10.Hypertension in pregnancy. Amsterdam: Elsevier Science,1988:257-66.

  31. Chesley LC, Cosgrove RA, Annitto JE. Pregnancy in thesisters and daughters of eclamptic women. Path Microbiol1961;24:662-6.

  32. Chesley LC, Annitto JE, Cosgrove RA. The familial factorin toxemia of pregnancy. Obstet Gynecol 1968;32:303-11.

  33. Sutherland A, Cooper DW, Howie PW, Liston WA,MacGillivray I. The incidence of severe pre-eclampsia amongst mothers andmothers-in-law of pre-eclamptics and controls. Br J Obstet Gynaecol1981;88:785-91.

  34. Chesley LC, Cooper DW. Genetics of hypertension inpregnancy: possible single gene control of pre-eclampsia and eclampsia in thedescendants of eclamptic women. Br J Obstet Gynaecol1986;93:898-908.

  35. Arngrimsson R, Bjornsson S, Geirsson RT, Bjornsson H,Walker JJ, Snaedal G. Genetic and familial predisposition to eclampsia andpre-eclampsia in a defined population. Br J Obstet Gynaecol 1990;97:762-9.

  36. Cooper DW, Hill JA, Chesley LC, Bryans CI. Geneticcontrol of susceptibility to eclampsia and miscarriage. Br J Obstet Gynaecol1988;95:644-53.

  37. Liston WA, Kilpatrick DC. Is genetic susceptibility topre-eclampsia conferred by homozygosity for the same single recessive gene inmother and fetus? Br J Obstet Gynaecol 1991;98:1079-86.

  38. Thornton JG, Onwude JL. Pre-eclampsia: discordance amongidentical twins. BMJ 1991;303:1241-2.

  39. Ness RB, Roberts JM. Heterogeneous causes constitutingthe single syndrome of preeclampsia. Am J Obstet Gynecol1996;175:1365-70.

  40. Committee on Technical Bulletins of the American Collegeof Obstetricians and Gynaecologists (ACOG). Hypertension in pregnancy. ACOGtechnical bulletin nr 219, jan 1996. Int J Gynaecol Obstet1996;53:175-83.

  41. Dekker GA, Vries JI de, Doelitzsch PM, Huijgens PC, VonBlomberg BM, Jakobs C, et al. Underlying disorders associated with severeearly-onset preeclampsia. Am J Obstet Gynecol 1995;173: 1042-8.

  42. Beek E van, Ekhart T, Leeuw PW de, Peeters LLH.Preeclampsia (PE) is followed by subclinical abnormalities in volumehomeostasis and renal hemodynamics abstract. Am J Obstet Gynecol1997;176 (1):S100.

  43. Rodgers GM, Taylor RN, Roberts JM. Preeclampsia isassociated with a serum factor cytotoxic to human endothelial cells. Am JObstet Gynecol 1988;159:908-14.

  44. Tsukimori K, Maeda H, Shingu M, Koyanagi T, Nobunaga M,Nakano H. The possible role of endothelial cells in hypertensive disordersduring pregnancy. Obstet Gynecol 1992;80:229-33.

  45. Walker JJ. Hypertension in pregnancy, report of a RCOGmeeting: jan 27, 1994. Br J Obstet Gynecol 1994;101:639-44.

  46. Dekker GA, Geijn HP van. Endothelial dysfunction inpreeclampsia. Part I: primary prevention. Therapeutic perspectives. J PerinatMed 1996;24:99-117.

  47. Endresen MJ, Lorentzen B, Henriksen T. Increasedlipolytic activity and high ratio of free fatty acids to albumin in sera fromwomen with preeclampsia leads to triglyceride accumulation in culturedendothelial cells. Am J Obstet Gynecol 1992;167:440-7.

  48. Lorentzen B, Endresen MJ, Hovig T, Haug E, Henriksen T.Sera from preeclamptic women increase the content of triglycerides and reducethe release of prostacyclin in cultured endothelial cells. Thromb Res1991;63:363-72.

  49. Smarason AK, Sargent IL, Starkey PM, Redman CW. Theeffect of placental syncytiotrophoblast microvillous membranes from normaland pre-eclamptic women on the growth of endothelial cells in vitro. Br JObstet Gynaecol 1993;100:943-9.

  50. Chua S, Wilkins T, Sargent I, Redman C. Trophoblastdeportation in pre-eclamptic pregnancy. Br J Obstet Gynaecol1991;98:973-9.

Auteursinformatie

Academisch Ziekenhuis, afd. Obstetrie en Gynaecologie, Maastricht.

E.van Beek, assistent-geneeskundige; dr.L.L.H.Peeters, gynaecoloog.

Obstetrie en Gynaecologie, Postbus 7777, 5500 MB Veldhoven.

Contact E.van Beek, Sint Joseph Ziekenhuis, afd

Heb je nog vragen na het lezen van dit artikel?
Check onze AI-tool en verbaas je over de antwoorden.
ASK NTVG

Ook interessant

Reacties

Groningen, april 1998,

Van Beek en Peeters gingen vooral in op de visie dat de oorzaak van preëclampsie gezocht moet worden in een ischemische placenta (1997:1379-84). Deze zou een ‘factor X’ produceren, die op zijn beurt de endotheelschade zou veroorzaken die aan de symptomen van preëclampsie ten grondslag zou liggen.

Niet alleen roept deze hypothese een aantal vragen op, zoals wat de oorzaak van de ischemische placenta is en wat de identiteit van de ‘factor X’, ook gaan de auteurs onzes inziens voorbij aan recente gegevens die erop wijzen dat preëclampsie een inflammatoire aandoening is waarin geactiveerde ontstekingscellen, die overal in het lichaam endotheelschade veroorzaken, een centrale rol spelen.1

Blijft de vraag waardoor die inflammatoire respons ‐ zo duidelijk niet in het belang van moeder en foetus ‐ opgeroepen wordt en hoe die respons, eenmaal op gang gebracht, zo uit de hand kan lopen. Een antwoord op dit soort vragen wordt gegeven door een recentelijk door David Haig ontwikkelde theorie.2 Hij stelt dat zwangerschap een toestand is waarin twee genetisch verschillende individuen ‐ moeder en foetus ‐ hun soms tegengestelde belangen (‘genetisch conflict’) op elkaar moeten afstemmen. Als er met die afstemming iets misgaat, treedt de een of andere vorm van zwangerschapsaandoening op.

Zo bestaat er tussen moeder en foetus een belangentegenstelling waar het gaat om de beschikbaarheid van voedingsstoffen. De foetus probeert daar zoveel mogelijk van te bemachtigen door de maternale voorraden te mobiliseren; de moeder gaat dit tegen door haar insulineafgifte te verhogen. Kan zij dat niet omdat haar eilandjes van Langerhans tekortschieten, dan treedt onder andere macrosomie van de foetus op ‐ tot schade van beide partijen.

Ook preëclampsie is volgens Haig te beschouwen als een inadequate respons van de moeder op de aanwezigheid van haar foetus. Dit conflict spitst zich toe op de implantatie. Invasie van het moederlijk weefsel is in het belang van de foetus. Voorkómen dat invasie te agressief plaatsvindt, is vooral in het belang van de moeder. Implantatie wordt gereguleerd door een complex cytokinenetwerk waarin zowel moeder als foetus participeert. Afwijkingen in dit cytokinenetwerk kunnen leiden tot een inadequate trofoblastinvasie en daarmee tot een inadequate placentaontwikkeling.3 Vermoedelijk spelen deze afwijkingen ook een rol in de inflammatoire respons die aan preeclampsie ten grondslag lijkt te liggen.

Deze zienswijze heeft consequenties voor de medische benadering van preëclampsie. Aan de inadequate implantatie valt waarschijnlijk weinig te doen omdat die, wanneer de symptomen van preëclampsie zich openbaren, reeds heeft plaatsgevonden. De aandacht zou zich volgens ons ten eerste moeten richten op een zo vroeg mogelijke detectie van het probleem, bijvoorbeeld door al in een zeer vroeg stadium van de zwangerschap indicatoren van een geactiveerde inflammatoire respons op te sporen, op basis waarvan de vrouw (en haar partner) een advies met betrekking tot de zwangerschap gegeven zou kunnen worden. Ten tweede dient men zich te richten op onderdrukking van de inflammatoire respons die tot de ziekteverschijnselen leidt.

G.A. Schuiling
T.R. Koiter
M.M. Faas
Literatuur
  1. Schuiling GA, Koiter TR, Faas MM. Why pre-eclampsia? Hum Reprod 1997;12:2087-91.

  2. Haig D. Genetic conflicts in human pregnancy. Q Rev Biol 1993; 68:495-532.

  3. Redman CWG. Cytotrophoblasts: masters of disguise. Nature Medicine 1997 June 3:610-1.

Maastricht, juni 1998,

Prof.Schuiling et al. merken op dat in ons artikel in de eerste plaats het aspect van de ontstekingsreactie onderbelicht blijft en in de tweede plaats, in de beschrijving van de pathogenese van preëclampsie, nauwelijks ingegaan wordt op de eventuele belangentegenstelling tussen foetus en moeder met betrekking tot de beschikbaarheid van voedingsstoffen. Wat dit laatste betreft, zijn wij van mening dat er bij preëclampsie niet zozeer sprake is van belangentegenstelling (‘genetisch conflict’), maar van een slecht functionerende synergie tussen moeder en foetus, of zoals Schuiling et al. zelf stellen, van een ‘inadequate respons van de moeder op de foetale aanwezigheid’.

Wij hebben vooral gepoogd aan te geven dat de pathogenese van preëclampsie uit twee onderdelen bestaat, te weten een afwijkende placentatie en vervolgens het ontstaan van endotheelceldisfunctie, die aangestuurd wordt vanuit de slecht aangelegde placenta. Een ontstekingsreactie vormt daarbij slechts de zichtbare uitingsvorm van een tekortschietende immunosuppressie in de decidua ter plaatse van de innesteling, die zich voltrekt volgens een genetisch bepaald ‘invasieschema’. Deficiënte immunosuppressie wordt daarbij weer veroorzaakt door (een combinatie van) genetische, immunologische en vaatwand-gemedieerde factoren.

Malimplantatie is, in tegenstelling tot hetgeen Schuiling et al. stellen, volgens ons, in tenminste een deel van de gevallen, in gunstige zin beïnvloedbaar, als men maar voldoende inzicht heeft verkregen in voornoemde causale factoren. Een eventuele behandeling zal dan waarschijnlijk vóór of heel vroeg in de zwangerschap gestart dienen te worden. De nieuwe inzichten in de behandeling van trombofilie bij zwangeren met een slechte verloskundige voorgeschiedenis vormt in dit kader een sprekend voorbeeld.

Auteurs stellen dat voor de kliniek vroege opsporing van malimplantatie hoge prioriteit verdient. Daar zijn wij het geheel mee eens en wij doen dat momenteel dan ook in toenemende mate, maar ook hiervoor is voldoende inzicht in genoemde factoren van essentieel belang: om te weten wát men wil opsporen. Overigens zijn wij het volstrekt oneens met de door Schuiling et al. geponeerde stelling om, in het kader van de behandeling van preëclampsie, de ontstekingsreactie te onderdrukken ondanks het niet bekend zijn van de oorzaak van die reactie. Ten aanzien van de rol van een ontstekingsreactie als brug tussen ischemische placenta en endotheelceldisfunctie dient men, onzes inziens, uiterst voorzichtig te zijn, enerzijds omdat de indicatoren voor zo'n ontstekingsreactie vaak niet aangetoond kunnen worden, anderzijds, omdat een slecht functionerende placenta vaker leidt tot foetale groeivertraging zónder dan tot foetale groeivertraging mét preëclampsie.

Een belangrijke boodschap van ons artikel was dat preeclampsie als klinisch beeld een vrij homogene expressie kent, met het accent of op de hypertensie/proteïnurie of op de leverfunctie- en stollingsafwijkingen (‘haemolysis, elevated liver-enzymes, low platelet count’(HELLP)-syndroom). In schril contrast hiermee is de oorzaak van de verstoorde placentatie echter wél uiterst heterogeen en is waarschijnlijk in de meeste gevallen multifactorieel bepaald.

L.L.H. Peeter