Spontane regressie van kanker; een beschrijving van 7 casus

Onderzoek
J.N. Schilder
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1992;136:2521-5
Abstract

Samenvatting

Doel

Opsporen en beschrijven van patiënten met spontane regressie van kanker.

Plaats

The Helen Dowling Institute for biopsychosocial medicine.

Opzet

Descriptief.

Methode

Informele werving en werving door middel van twee oproepen aan collegae in De Huisarts en in Medisch Contact om hun bekende patiënten met mogelijke SRK in overweging te geven in contact te treden met de onderzoeker. Wanneer dit contact werd gelegd en de patiënt toestemming gaf voor het opvragen van de medische gegevens, werd het klinische beloop beoordeeld. Wanneer sprake was van SRK werd een interview bij de patiënt en bij mensen in zijn omgeving afgenomen.

Resultaten

Er werden 7 patiënten opgespoord bij wie SRK kon worden vastgesteld. Deze spontane regressies betroffen adenocarcinoom (2X), non-Hodgkin-lymfoom (2X), mesotheloom, ongedifferentieerd carcinoom of sarcoom (lever) en choriocarcinoom.

Conclusie

Een oproep aan collegae in een periodiek voor medici bleek een snelle en goedkope zoekmethode. Geen van deze casus was in de literatuur beschreven. De frequentie van SRK in Nederland over de periode 1980-1989 kan worden geschat op ten minste 1:100.000.

Auteursinformatie

The Helen Dowling Institute for biopsychosocial medicine, Postbus 25309, 3001 HH Rotterdam.

J.N.Schilder.

Heb je nog vragen na het lezen van dit artikel?
Check onze AI-tool en verbaas je over de antwoorden.
ASK NTVG

Ook interessant

Reacties

Den Haag, december 1992,

Gaarne wil ik reageren op het artikel over spontane regressie van kanker, van collega Schilder (1992;2521-5).

In zijn betoog mis ik de relativerende gedachte dat ook spontane regressie een oorzaak moet hebben. Deze gedachte is wel terug te vinden in de literatuur.1-3 Naarmate men beter zoekt en de stand der wetenschap op een hoger niveau komt, worden er meer spontane regressies verklaarbaar. Schilder kan bijvoorbeeld nooit uitsluiten dat het mesothelioom van zijn patiënt F toevallig zeer gevoelig was voor tetracycline.

In de literatuur met betrekking tot spontane regressie is het tevens gebruikelijk om onopvallende zaken, die ogenschijnlijk niets met de regressie te maken hebben, toch te vermelden; want je weet maar nooit. Zo noemen Everson en Cole gebedsgenezing, maar ook het gebruik van kruiden of vitaminen. Het is dan ook niet vreemd dat Schilder het gebruik van tetracycline vermeldt. Het is echter niet consequent dat hij bij patiënte C verzwijgt dat de regressie begon prompt na het starten met Moerman-therapie plus Iscador (op advies van ondergetekende), een met melkzuur gefermenteerd maretak-extract. Bovendien had ik haar casus al in een alternatief blad en in een vakblad met een redactieraad gepubliceerd.45 Van de publikatie in het alternatieve blad was Schilder op de hoogte.

Telefonisch contact met Schilder leverde verder op dat veel meer van de door hem beschreven patiënten ook ‘alternatief’ zijn behandeld; zo had patiënt G onder andere vitamine C-injecties gehad; patiënte B had een soort Moerman-therapie gevolgd en patiënt D had diverse alternatieve geneeswijzen geprobeerd. Opvallend is dat van de 4 regressies, die compleet waren en op z'n minst meerdere jaren persisteerden, er 3 ‘Moermanachtig’ behandeld waren. Deze extra gegevens had Schilder mijns inziens ook moeten geven.

Zelf heb ik met de Moerman-therapie plus andere alternatieve middelen circa 8 van dergelijke succesvolle en soms wat minder succesvolle regressies bereikt bij circa 1000 opgegeven kankerpatiënten. Dit zegt uiteraard niets over de gemiddelde levensverlenging bij opgegeven patiënten. Tot de 8 patiënten behoren onder anderen:

– Een patiënte met een pathologisch-anatomisch bewezen rectumcarcinoom plus levermetastasen. Met de Moerman-therapie herstelden de leverenzymwaarden; zakte de concentratie carcino-embryogeen antigeen (CEA) van circa 60 naar 6 µg/l en verdween de leververgroting, die eerst bij lichamelijk onderzoek voelbaar was; ook verdween het anale bloedverlies (men had patiënte niet geopereerd). Na ruim een jaar begonnen het carcinoom en de levermetastasen weer te groeien en na 2 jaar overleed de patiënte.

– Een patiënte met een progressief pathologisch-anatomisch bewezen non-Hodgkin-lymfoom stadium III. Moerman-therapie met Iscador-toediening ging prompt gepaard met een complete regressie, die na 5 jaar nog steeds compleet is.

– Een patiënte met een naar de lever gemetastaseerd carcinoïd (met behulp van punctie aangetoond). Met het starten van Moerman-therapie trad er een lichte verbetering op in de afwijkende leverenzymwaarden en leek het ziekteproces te stabiliseren. Na ongeveer anderhalf jaar bleek er echografisch toch sprake te zijn van progressie. Toen werd begonnen met injecties van factor AF-2, een hypoallergeen extract van embryonale schapemilt en schapelever. Drie maanden later bleek er geen verdere progressie te bestaan en na nog eens drie maanden bleken de levermetastasen met meer dan de helft te zijn afgenomen. Het verdere beloop wordt afgewacht.

– Een man van begin dertig met een pathologisch-anatomisch bewezen astrocytoom graad IV dat inoperabel was en progressief ondanks bestraling. Met de Moerman-therapie werd een partiële regressie bereikt, zodanig dat hemiplegieverschijnselen verdwenen. Deze partiële regressie persisteerde circa 1,5 jaar; daarna was er weer sprake van progressie. Drie jaar na de diagnose overleed patiënt alsnog aan de ziekte.

– Patiënte C van Schilder, die choriocarcinoom had.

Van de overige regressies zijn er 2 die na 4 en 5 jaar nog steeds persisteren. ‘Spontane’ regressie komt onder mijn patiënten te vaak voor om dit toeval te noemen. Voeding heeft duidelijk ook therapeutische aspecten. Zo is de anti-tumorwerking van vitamine A in de adjuvante situatie ondubbelzinnig aangetoond.6 Ten slotte wil ik verwijzen naar mijn brief in dit tijdschrift naar aanleiding van een bespreking van het in november 1991 verschenen Moerman-rapport.7

E. Valstar
Literatuur
  1. Boyd W. The spontaneous regression of cancer; a monograph in the Carl Vernon Weller lecture series. Springfield (IL): Thomas, 1966.

  2. Everson T, Cole WH. Spontaneous regression of cancer. London: Saunders, 1966.

  3. Stoll BA. Restraint of growth and spontaneous regression of cancer. In: Stoll BA, ed. Mind and cancer prognosis. New York: Wiley, 1979.

  4. Valstar E. Regressie van een gemetastaseerd choriocarcinoom tijdens Moermantherapie. Orthomoleculaire Koerier 1990; 5 (okt): 17-9.

  5. Valstar E. Regression of a choriocarcinoma during dietary therapy. J Nutr Med 1991; 4: 411-4.

  6. Pastorino U, Soresi E, Clerici M, et al. Lung cancer chemoprevention with retinol palmitate. Preliminary data from a randomized trial on stage Ia non small-cell lung cancer. Acta Oncol 1988; 27: 773-82.

  7. Valstar E, Moerman-therapie; de balans van 50 jaar strijd (Ingezonden). [LITREF JAARGANG="1992" PAGINA="709-10"]Ned Tijdschr Geneeskd 1992; 136: 709-10.[/LITREF]

J.N.
Schilder

Rotterdam, januari 1993,

In hun definitie van spontane regressie van kanker spreken Everson en Cole van tumorregressie in afwezigheid van behandeling of in aanwezigheid van behandeling die niet geacht kan worden een significante invloed te hebben op tumorgroei. Mij is geen onderzoek bekend op grond waarvan de behandeling van collega Valstar geacht kan worden deze significante invloed te hebben; hetzelfde geldt voor de alternatieve behandeling van patiënt B (dieet plus ozon), lecithine en sinaasappels bij patiënt F en de (orale) vitamine C van patiënt G. Bij patiënt D manifesteerde de metastase zich tijdens de alternatieve behandeling. Bij patiënt G was sprake van progressie tijdens de vitamine C-toediening, bij zowel patiënt D als F trad recidivering op tijdens continuering van het beleid. Dit impliceert dat bij 2 van de 7 patiënten een tijdsrelatie bestaat tussen de tumorregressie en de alternatieve behandeling (patiënt B en C), bij 5 anderen niet (patiënt A en E), niet nadrukkelijk (patiënt G) of nadrukkelijk niet (patiënt D en F). Valstar gebruikt de term ‘bereikt’ en attribueert causaal. Ik mis toetsing van deze attributie. In plaats daarvan stelt hij hypothesevorming en -bewijsvoering aan elkaar gelijk. Daarmee creëert hij een gesloten, tautologisch systeem en het is alleen binnen dat systeem dat een gedetailleerde beschrijving van aantallen ‘appels en peren’ op haar plaats lijkt.

J.N. Schilder