Samenvatting
- Angiotensine-II-antagonisten vinden hun aangrijpingspunt in het eindstation van de renine-angiotensinecascade, te weten de angiotensine-II-subtype-1(AT1)-receptor. Deze wordt daarmee reversibel afgegrendeld voor de inwerking van circulerend angiotensine II, doorgaans gedurende een etmaal na een enkele dosis.
- Het gevolg hiervan is dat de bloeddruk daalt, voorzover deze afhankelijk is van de invloed van dit hormoon. Deze invloed bestaat uit verschillende componenten, te weten vasoconstrictie, natriumretentie (voornamelijk via aldosteron) en cellulaire groeibevordering binnen het hartvaatstelsel.
- De mate van bloeddrukdaling is vergelijkbaar met die teweeggebracht door de gangbare bloeddrukverlagende middelen. Het meest in het oog lopende verschil is het nagenoeg ontbreken van de ongewenste bijwerkingen zoals bekend bij de gevestigde middelen.
- Er valt in vivo geen noemenswaardig onderscheid te maken in de werkzaamheid van de diverse AT1-receptorblokkers.
- De uiteindelijke prognostische uitwerking op het hartvaatstelsel in de hypertensiepopulatie wordt nog onderzocht.
Reacties