In juni 1986 verscheen op verzoek van de toenmalige staatssecretaris van Volksgezondheid en Milieuhygiëne een rapport getiteld: ‘UV-straling; blootstelling van de mens aan ultraviolette straling (UVS).’1 Het voornaamste doel van het rapport was na te gaan in hoeverre het toenemende gebruik van ultravioletlampen om een gebruinde huid te krijgen, schadelijk zou kunnen zijn voor de huid en de ogen en, zo ja, of beperkende bepalingen en adviezen van overheidswege dan wenselijk zouden zijn.
De laatste 10 jaar is de verkoop van UV-lampen voor kosmetische toepassing niet alleen sterk gestegen, maar er heeft zich bovendien een verschuiving voorgedaan van stralingsbronnen die in hoofdzaak UV-B (290-320 nanometer) emitteren naar UV-A-bronnen (320-390 nm). Daarbij werd – althans aanvankelijk – door fabrikanten en leveranciers het argument gehanteerd dat UV-A-straling de huid een mooie bruine kleur geeft en onschadelijk zou zijn, ook bij ongelimiteerd gebruik. De bruiningsrage zou aldus ongestraft uitgeleefd kunnen worden. Deze…
Reacties